Biografie van F.W. van Eeden (1829 – 1901)

fw-van-eedenBij het horen van de naam Frederik Willem van Eeden denkt men tegenwoordig meestal aan de schrijver Frederik van Eeden en niet aan diens vader, de Haarlemse amateurbioloog, die voluit dezelfde voornamen droeg. De jonge Van Eeden is een generatiegenoot van Eli Heimans en Jac.P. Thijsse, het drietal was met elkaar bevriend. Of Heimans en Thijsse de oude Van Eeden ook  persoonlijk hebben gekend, is niet duidelijk, maar zeker is dat zij hem beschouwden als een van hun belangrijkste voorgangers.

Van Eeden senior was net als zijzelf een kenner en liefhebber van de inheemse, wilde natuur. Hij kon uitstekend populariseren en schreef als eerste in Nederland over het behoud van natuurterreinen als monumenten der natuur. Hij stierf voordat de georganiseerde natuurbescherming goed en wel van de grond kwam. Wellicht is hij daardoor als pionier van deze beweging in de vergetelheid geraakt.

Telg van bollenkwekers

Frederik Willem (Frits) van Eeden wordt op 26 oktober 1829 te Haarlem geboren als telg van een oud en befaamd geslacht van bloemen- en bloembollenkwekers. Zijn vader, J.A. van Eeden, geniet plaatselijk hoog aanzien en bekleedt diverse maatschappelijke functies. Frits zou als kind wat ziekelijk zijn geweest en het liefst met zijn neus in de boeken hebben gezeten, maar zijn vader nam hem toch ook regelmatig mee op wandeltochten door het Kennemerland. In ieder geval dateert zijn passie voor de natuur, vooral voor wilde planten, al uit zijn jeugd. De jonge Van Eeden bezoekt het gymnasium, maar een academische studie zit er niet in. Als enige zoon is het vanzelfsprekend dat hij zijn vader zal opvolgen in het bloembollenbedrijf. Dit wordt geen succes. Hij heeft geen aanleg voor handel en het is voor hem dan ook een grote opluchting als hij in 1866, een aantal jaren na de dood van zijn vader, het zieltogende bedrijf aan de Kleine Houtweg kan verkopen aan de plaatselijke firma Krelage.

Frits van Eeden heeft dan al enige tijd een positie als algemeen secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid. In deze functie kan de voormalige bollenhandelaar zich beter ontplooien, want hij is erudiet en hij spreekt een groot aantal buitenlandse talen. Als secretaris van de Maatschappij legt hij de grondslag voor het Koloniaal Museum te Haarlem, dat in 1871 de deuren opent voor het publiek. Van Eeden wordt de eerste directeur van dit museum, de voorloper van het Tropeninstituut te Amsterdam, en later ook van het Haarlemse Museum van Kunstnijverheid, dat eveneens door zijn toedoen totstandkomt. In zijn gecombineerde functies als secretaris en tweevoudig directeur is de rusteloze en overijverige Van Eeden onvermoeibaar. Hij legt internationale contacten, organiseert tentoonstellingen en publiceert een stroom artikelen, vooral in het tijdschrift van de Maatschappij van Nijverheid en dat van het Koloniaal Museum.

Onkruid

Terwijl Van Eeden naast zijn drukke werkkring ook actief is in het Haarlemse verenigingsleven, vooral in het letterkundige gezelschap Democriet waar hij zich uitleeft in rijmen en dichten, vindt hij nog altijd tijd voor de natuurstudie. Hij is pas halverwege de twintig als hij zijn eerste botanische artikel publiceert. Tot zijn dood zal hij met groot enthousiasme over de natuur blijven schrijven. In de jaren zestig begint hij aan een serie voetreizen door Nederland om de plantengroei te bestuderen. De verslagen van die tochten in het Album der Natuur en deels ook in de Volksalmanak van ’t Nut trekken in ruime kring de aandacht. Ze worden in 1886 gebundeld onder de titel Onkruid, botanische wandelingen. Het enkele malen herdrukte boekje geldt thans als een klassieker voor natuurliefhebbers, maar is ook interessant voor een breder publiek. Van Eeden is een scherp waarnemer. Hij schrijft niet alleen boeiend over flora en vegetatie, maar noteert ook andere zaken die hij op zijn wandelingen tegenkomt en maakt daarbij van zijn hart geen moordkuil.

Bij de verschijning van Onkruid is Van Eeden al geruime tijd belast met de samenstelling van de Flora Batava, een serie kostbare boeken met gekleurde platen over in Nederland voorkomende gewassen. Deze reeks was in 1800 opgezet door de latere Utrechtse hoogleraar in de kruidkunde Jan Kops en werd nadien voortgezet door andere gerenommeerde botanici. Van Eeden neemt de redactie over van F.A. Hartsen. Hij voltooit het dertiende deel in 1868 en verzorgt de daarop volgende zeven delen. Om gegevens en materiaal te verzamelen, plaatst Van Eeden oproepen in het Nederlandsch Kruidkundig Archief, het orgaan van de Botanische Vereniging waarvan Van Eeden lid is. Na de verschijning van het twintigste deel in 1898 meldt hij tevreden dat “door de zorg van mijn vrienden en vriendinnen, weder vele leemten in de Flora Batava [zijn] aangevuld”.

Hoewel de belangstelling en kennis van Van Eeden een breed spectrum van de botanie bestrijkt en hij ook studie maakt van gekweekte planten (vooral voedingsgewassen), heeft hij een uitgesproken voorkeur voor wilde planten, de zogenoemde onkruiden. Zijn hart gaat uit naar de ongerepte natuur en de planten in het vrije veld. Hij spreekt zijn afschuw uit over bloemperken met pelargoniums en fuchsia’s en aangeharkte paden met stijf afgestoken randen. Van Eeden is in veel opzichten zijn tijd vooruit. Terwijl andere plantkundigen het nog als de gewoonste zaak van de wereld beschouwen om planten, ook zeldzame, uit te rukken om ze daarna thuis te bekijken, vindt Van Eeden dat je de planten in hun eigen omgeving moet bestuderen.

Geluk in de natuur

In het werk van Van Eeden tref je geen verheven verhalen over de rol van de Schepper bij het ontstaan van de natuur. Hij is wars van het christelijk geloof en idealiseert het Germaanse heidendom. Een terugkerend thema in zijn werk is de overtuiging dat het verblijf in de (ongerepte) natuur en beoefening van natuurstudie de mens gelukkiger kan maken. Het is de boodschap die Heimans en Thijsse later ook zullen verkondigen, met het verschil dat beide onderwijzers een groot publiek proberen te bereiken, terwijl Van Eeden zich richt tot mensen die enige opleiding hebben genoten, de ‘beschaafde lezers’.

Tijdens het leven van Van Eeden komt de industriële revolutie op gang en hij ziet daarvan de gevolgen, zoals het teloorgaan van ambachtelijk handwerk, met afgrijzen aan. Arme mensen trekken massaal naar de steden, waar ze veelal terechtkomen in erbarmelijke omstandigheden. In zijn allereerste artikel, getiteld Woekerplanten (1854), blijkt dat Van Eeden weinig compassie heeft met het arbeidersproletariaat. Soms maakt hij zelfs uitgesproken denigrerende opmerkingen, zoals in het artikel Salland (1881), eveneens  in het Album der Natuur, over een bedelaarsgesticht bij Ommen “waar het uitvaagsel des volks en het ontslagen geboefte een tamelijk lui leven leidt op onze kosten”. Toch toont Van Eeden, iemand die voortdurend worstelde met tegenstrijdige gevoelens, soms ook begrip voor de noden van de gewone man. Over dagloners op het platteland schrijft hij bijvoorbeeld: “Het is waar, die menschen hebben weinig behoeften, maar eenige meerdere ontwikkeling, een weinig meer welvaart is voor hen hoogst wenschelijk.” Als secretaris van de nijverheidsmaatschappij doet hij tal van pogingen om het lot van arbeiders te verbeteren, onder meer door zich in te zetten voor het onderwijs op huishoud- en ambachtscholen.

Van Eeden ontleent veel van zijn ideeën over de natuur aan de buitenlandse literatuur. Hij is zeer belezen en vooral bewonderaar van het werk en het gedachtegoed van Linnaeus, Rousseau en Goethe. Van Eedens opvattingen over natuurbescherming zijn hoogstwaarschijnlijk eveneens afkomstig van buitenlandse auteurs. In Duitse geschriften wordt al in de achttiende eeuw het woord Naturdenkmal, gedenkteken of monument van de natuur, gebruikt om imposante natuurverschijnselen, zoals monumentale bomen, aan te duiden. Bij onze oosterburen groeit in die tijd de overtuiging dat belangrijke natuurobjecten evenzeer bescherming behoeven als belangrijke bouwwerken. In Nederland is Van Eeden de eerste die over dit onderwerp schrijft. Reeds in de jaren zestig trekt hij een vergelijking tussen het restant van de vroegere duinflora en de bouwvallen van de ridderkastelen. In 1880 schrijft hij naar aanleiding van het verlies van het Beekbergerwoud: “Dit bosch had als monument van de voormalige natuur van ons land niet minder waarde dan oude gebouwen voor de geschiedenis der vaderlandsche kunst.” In diverse andere publicaties gaat hij dieper in op de houding van de mens tegenover de natuur.

Grondlegger van de Nederlandse natuurbescherming

Evenals vele andere natuurliefhebbers geeft Van Eeden blijk van een dualistische houding tegenover de natuur en de natuurbescherming. Hij houdt van ongerepte natuur en wildernis, maar beseft tegelijkertijd dat de mens zich alleen vrij voelt in de natuur die hij zelf heeft gevormd. Hij verzet zich tegen de ontginningen van woeste gronden, maar erkent ook dat die soms nodig zijn om landbouw en dus welvaart te bevorderen. Van Eeden neemt, samen met anderen, enkele initiatieven ter bescherming van (nuttige) vogels. Zijn verdienste voor de Nederlandse natuurbescherming zit echter vooral in het feit dat hij zijn landgenoten erop wijst dat de Nederlandse natuur een geheel eigen schoonheid bezit en de moeite waard is om te bewaren. Met zijn beschouwingen inspireert hij mensen als Thijsse om zich actief in te zetten voor het behoud van de natuur.

Na de dood van Van Eeden, op 4 mei 1901, verzamelen zijn vrienden van de Haarlemse natuurhistorische vereniging de mooiste wilde bloemen van het Kennemerland. Van Arum italicum, Anemone nemorosa, Lamium album, Viola tricolor, Primula acaulis en vele andere ‘onkruiden’ vlechten zij een krans die op het graf wordt gelegd. Kort daarvoor, nog tijdens het leven van Van Eeden, hadden Heimans en Thijsse hun waardering voor zijn werk tot uitdrukking gebracht door het volgende citaat van hem op te nemen in de aanhef van hun Wandelboekje voor natuurvrienden. “De plant is een onafscheidelijk deel van het landschap, hetzij bosch, weide, veen, moeras of gebergte. Zij moet bestudeerd worden in het landschap als levend individu. Eerst dan geeft hare studie dat onwaardeerbare genot (door Linnaeus gevoeld, toen hij de botanie de Amabilis Scientia noemde), dien onwederstaanbare drang naar de vrije natuur… (en wat zoo noodig is voor ieder…) harding tegen klimaat en vermoeienis, voetreizen, sport in practischen zin, zich gewennen aan weer en wind, aan ontberingen.”

Van Eeden, die tijdens zijn leven tal van onderscheidingen ontving, wordt na zijn dood vrij snel vergeten. Vooral dankzij Thijsse, die in zijn publicaties het pionierswerk van Van Eeden nogal eens naar voren brengt, blijft de herinnering aan de Haarlemse natuurkenner nog enigszins levend. Thijsse had ook de hem aangeboden wilde plantentuin in Bloemendaal de Van Eeden’s Hof willen noemen. Thijsse schrijft hierover: “Altijd voelde ik den ouden van Eeden naast mij.” Vanwege de verwarring met de Hof van Eden, wordt besloten het terrein de naam Thijsse’s Hof te geven.

 

Marga Coesèl, Joop Schaminée en Lodewijk van Duuren (2007). De natuur als bondgenoot. De wereld van Heimans en Thijsse in historisch perspectief. Zeist, KNNV-uitgeverij. p. 40-43.